Bouwen in de jaren 50 en 60

Aan het eind van de tweede wereldoorlog was de helft van de circa 9000 woningen vernield of beschadigd. Er waren bovendien veel evacuees uit het westen en uit Wageningen en Arnhem.

Na de bevrijding werd de situatie er niet meteen beter op. De Evacuees uit het westen gingen niet meteen terug, de evacuees uit Wageningen en Arnhem hadden soms geen huis meer om naar terug te gaan.

De koloniale oorlog in Indonesië was bovendien voor veel Indische Nederlanders aanleiding om naar Nederland te remigreren. Ede moest, net als andere gemeenten een aantal woningen ter beschikking stellen te behoeve van repatriërende uit Indonesië, dat in 1949 onafhankelijk werd. Voor deze groep zette zich onder meer de Stichting Pelita in die speciaal voor deze groep woningen liet bouwen aan de Schaapsweg, de Soembalaan en de Javalaan in de Indische buurt in Ede-dorp.

Montagebouw

In 1947 telde de gemeente ongeveer 8600 woningen. Daarvan waren er 3000 in gebruik als boerderij of als landarbeiderswoningen. Er was dat jaar een tekort van 1933 woningen. Vooral Bennekom en Otterlo sprongen er ongunstig uit.

In dat jaar presenteerde B&W een omvangrijk plan aan de gemeenteraad om de meest urgente woningzoekenden aan een behuizing te helpen. Mede door de overal heersende woningnood had een aantal bedrijven zich gestort op de markt voor montagebouw: woningen bestaande uit betonelementen die met behulp van ongeschoolde arbeiders in elkaar gezet konden worden. Het Rijk stond de bouw van dit soort woningen buiten de aangewezen contingenten toe omdat er geen beroep gedaan behoefde te worden op de schaarse vakarbeiders. Ede wilde 152 van deze woningen aan de Javalaan en omgeving. Dit was het grootste complex dat in de eerste tien na-oorlogse jaren gebouwd werden. De bedenkingen tegen deze vorm van bouwen bleken niet onterecht toen nog geen dertig jaar later de “betonwoningen” met veel pijn en moeite moesten worden gerenoveerd.

Lunteren: de Molukse wijk

Het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger, werd in 1949 als gevolg van de onafhankelijkheid van Indonesië opgeheven. Een deel van de militairen ging over naar het Indonesische republikeinse leger. Veel Molukse militairen wilden deze overstap niet maken. Zij hadden tijdens de onafhankelijkheidsoorlog aan de Nederlandse zijde meegevochten en vreesde voor hu veiligheid en die van hun gezinnen.

Het KNIL , het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger, werd in 1949 als gevolg van de onafhankelijkheid van Indonesië opgeheven. Een deel van de militairen ging over naar het Indonesische republikeinse leger. Veel Molukse militairen wilden deze overstap niet maken. Zij hadden tijdens de onafhankelijkheidsoorlog aan de Nederlandse zijde meegevochten en vreesde voor hu veiligheid en die van hu gezinnen. Zij kregen uiteindelijk de opdracht zich in te schepen naar Nederland, waar ze in opvangkampen werden ondergebracht onder meer bij kasteel de Bruine Horst bij Ederveen (zie foto). Nederland toonde zich weinig dankbaar ten aanzien van de militairen die zich zo nauw verbonden hadden met de Nederlanders. Nog voor de schepen goed en wel aangemeerd waren kregen de opvarenden te horen dat ze uit de dienst ontslagen waren en dus zonder werk zaten. Aanvankelijk was de verwachting dat het verblijf van de Molukkers tijdelijk zou zijn. Een groot deel van de Molukse bevolking hoopte terug te keren naar een eigen onafhankelijke Republiek der Zuid Molukken .

In 1959 kwam de Nederlandse overheid tot de conclusie dat het verblijf in Nederland geen tijdelijk zaak was. Besloten werd om de opvangkampen te sluiten en de Molukkers in woonwijken onder te brengen. Dat zou hun integratie bevorderen. Ten behoeve van de gezinnen die bij de Bruine Horst woonden werden door het Rijk 59 woningen gebouwd in de Staatsliedenbuurt te Lunteren. Ze werden onderhouden door de CWS.

Van een echte integratie van de Molukkers was echter geen sprake. Een Nederlands paspoort kregen ze niet en op diverse gebieden bevonden ze zich in een uitzonderingspositie. Zo was er een speciale afdeling van CRM die zich met de ‘ambonezenzorg’ bezig hield. Vooral voor de jongere generatie Molukkers ontstond een uitzichtloze situatie; ze waren opgegroeid in een land waar zij een uitzonderingspositie innamen, terwijl datzelfde land geen stap verzette om hun ideaal van een onafhankelijke RMS te realiseren. In de jaren zeventig raakte de Molukse problematiek wereldwijd bekend door een aantal gewelddadige acties, waaronder twee treinkapingen. Het Nederlandse beleid veranderde vervolgens snel. Het overleg met de Molukse organisaties werd geïntensiveerd en de uitzonderingspositie van de Molukkers werd ongedaan gemaakt. Dit betekende bijvoorbeeld dat de ‘ambonezenwoningen’ over gedragen werden aan de gewone woningcorporaties. De woningen in Lunteren werden overgedragen aan de woningbouwvereniging Ede. De woningen werden tevens grondig gerenoveerd. Hiervan profiteerden ook de 26 Nederlandse gezinnen die inmiddels samen met de 33 Molukse gezinnen de wijk bevolkten.

Hoogbouw: de eerste flats

Er werd nu ook gediscussieerd over het verschijnsel “hoogbouw” zij het dat hierbij in eerste instantie werd gedacht aan drie-of vier hoog flats. Voor Edese begrippen een revolutionaire stap, omdat voor de meeste inwoners een vrijstaand huisje met tuin het meest in overeenstemming was met hun wensen. Hoogbouw werd geassocieerd met verstedelijking en dat was, ondanks de groei van de gemeente niet waarnaar iedereen in Ede streefde. Eind jaren veertig werd hoogbouw op de volgende manier in de gemeenteraad bepleit: “Er moet meer in de hoogte en in grotere blokken worden gebouwd. Een en ander geeft veel voordelen. Niet alleen is de bouw op zichzelf goedkoper, maar er zijn ook minder wegen riolering en straatverlichting nodig, terwijl de netten voor gas, water en elektra minder uitgaven zullen vergen. En last but not least er wordt dan een zo zuinig mogelijk gebruik van de grond gemaakt”. Middelhoge flats werden vanaf de eerste helft van de jaren vijftig inderdaad gerealiseerd. Woningwetwoningen van dit type verschenen in de Bloemenbuurt in Ede-dorp.

Duplexwoning

Een ander verschijnsel was de duplexwoning. Het betrof kleine boven en benedewoninkjes die, zo geconstrueerd waren dat ze- als de woningnood eenmaal zou zijn opgeheven- eenvoudig samengevoegd konden worden tot een volwaardige woning. In totaal werden in de gemeente Ede (met name in het dorp Ede, maar ook in Bennekom en Gelders Veenendaal) ongeveer driehonderd duplex woningen gebouwd. Later werden veel duplexwoningen niet gesplitst, maar bestemd voor bewoning door een-en tweepersoonshuishoudens.

Wonen in de jaren vijftig: prefabwoningen.

In de jaren 1955-1965 werden de nieuw te bouwen woningwetwoningen ongeveer gelijkelijk verdeeld over de gemeente en de woningcorporaties. De tijd dat het grootste gedeelte van de woningwetwoningen in handen van de gemeente bleef naderde ten einde. Overigens nam het aandeel van de woningwetwoningen in de totale nieuwbouw beduidend af. Het overgrote deel van de toegestane bouwcontingenten werd gebruikt voor de bouw van premiewoningen en in mindere mate voor vrije sector woningen. Dat betekende dus dat er weer ruim baan gegeven werd voor particulier initiatief.

Los van de toegestane volumes “traditionele bouw” werd overigens nog wel toestemming gegeven voor de bouw van een aantal prefabwoningen. In Bennekom werden in 1956 Oostenrijkse woningen gebouwd, houten huizen waarvan bij de bouw verwacht werd dat ze wel wat kinderziekten zouden hebben. In Lunteren werden in 1958 de zogenaamde ‘Panagro’ woningen gebouwd.

Jaren zestig: functiescheiding.

Rond 1960 hielden tal van gemeenten zich bezig met de vraag hoe ze zich moesten aanpassen aan de groeiende inwoneraantallen en het groeiende autoverkeer. Stedebouwkundigen droegen vaak rigoureuze oplossingen aan: doorbraken door oude stadswijken, en het dempen van grachten ten behoeve van het autoverkeer, de bouw va grote vaak overdekte winkelcentra en daarnaast de bouw van strak vormgegeven nieuwbouwwijken met brede rechte asfaltwegen, ruim voorzien van hoge flatgebouwen. Dit alles vanuit een zogeheten functionalistische visie: de functies wonen, werken en recreëren moesten zoveel mogelijk van elkaar gescheiden worden en het moest de bewoners zo gemakkelijk mogelijk gemaakt worden zich van de ene naar de ander ‘functie’ te verplaatsen. De gevolgen van deze manier van denken zijn in veel Nederlandse gemeenten te vinden. De Bijlmermeer in Amsterdam werd opgezet als een functionalistische ideaalwijk met veel groen en veel ruimte. De rand van het centrum van Utrecht kreeg op grond van dezelfde stedenbouwkundige visie door de bouw van Hoog-Catharijne een heel nieuw gezicht.

Kernplan Ede

De gemeente Ede bestond uit een verzameling dorpen, maar de onstuitbaar geachte groei van met name het dorp Ede leidde er volgens de deskundigen toe dat dit dorp rond het jaar 2000 de omvang van een stad zou hebben. De stedenbouwkundige Lammers kreeg de opdracht om een plan te ontwerpen voor de aanpassing van de dorpen aan de toekomstige behoeften. Hij liet zich leiden door de heersende stedenbouwkundige visies en kwam met in de eerste helft van de jaren zestig met grootse plannen voor Ede, Lunteren en Bennekom. Honderden woningen en winkels moesten worden afgebroken en de dorpen zouden een minder dorps en een meer stedelijk karakter krijgen.

In 1964 werd een definitief plan gemaakt dat grote invloed zou hebben op het aanzien van de dorpen Ede, Lunteren en Bennekom. Uitbreiding naar het noorden was uit den boze, omdat dit gebied in 1953 tot recreatiegebied was verklaart. In het oosten was uitbreiding onmogelijk vanwege de kazernes. Bleef over het zuiden en het westen.

Nieuwe wegenstructuur

De plannen rekenden op een forse manier af met de oude wegenstructuur van het dorp. Er kwamen brede aan-en afvoerwegen voor het groeiende autoverkeer. Ver ten westen van de oude dorpskern zou de rijksweg A30 een aansluiting op de A12 krijgen. Verder werden drie locaties aangegeven voor nieuwbouwwijken de latere wijken Veldhuizen in het Westen en Maandereng en Rietkampen in het zuiden. Het verkeer naar en van deze wijken zou weinig meer met de kern van het dorp te maken krijgen via de Kastelenlaan – Keesomstraat – Dr. W Dreeslaan. Werd direct aangesloten op de A12 en via de Proosdijerveldweg op de N224. Voor wie vanuit de nieuwe wijk Veldhuizen wel naar het centrum wilde, kwam er een doorbraak in het verlengde van de Molenstraat: langs de markt in de richting van de huidige Raadhuisstraat. Om het verkeer vlotter te kunnen verwerken, werd bovendien voorgesteld om de Proosdijerveldweg dwars door het oude woningwetcomplex van het Kolkakkerpark te trekken en aan te sluiten op de Klinkerbergweg die in doorgetrokken vorm richting Bennekom de functie van de stationsweg als aanvoerroute vanuit het zuiden zou moeten overnemen. Aan de ringweg die over het terrein van het Kolkakkerpark moest komen, zouden enkele torenflats gebouwd worden. Tenslotte werd er in het dorp Ede ruimte gecreëerd voor het industrieterrein.

Het Kernplan Ede zorgde voor stormen van protest en voor een grote hoeveelheid bezwaarschriften. Na forse discussies kreeg B&W de gemeenteraad mee in de opvatting dat een grootscheepse aanpak van Ede nodig was. Men achtte het onmogelijk om de dorpse sfeer te kunnen handhaven in een gemeenschap die toegroeide naar de omvang van een middelgrote stad.

Hoogbouwflats: Veldhuizen A.

In 1963 stond de woningnood nog steeds als volksvijand nummer 1 te boek. Het kabinet besloot om te streven naar een jaarlijkse woningproductie van 120.000 woningen. Moderne efficiënte bouwmethoden moesten ervoor zorgen dat dit aantal gehaald werd. De oplossingen werd gezocht in het fabrieksmatig produceren van betonelementen voor hoogbouwflats. Gemeenten die opteerden voor de bouw van dergelijke flats kregen extra woning contingenten toegewezen en zouden hun lijst woningzoekenden drastisch kunnen inkrimpen.

Deze vorm van productie betekende standaardisatie. De fabrieken konden op topcapaciteit draaien zolang ze maar een eindeloze reeks van dezelfde betonelementen mochten leveren. Het gevolg was dat de Nederlandse gemeenteraden zich eind jaren zestig bogen over bouwplannen voor hetzelfde type flat. Het bouwen van deze flats bracht een aantal beperkingen met zich mee. De woonwijken moesten het liefst zo strak mogelijke plattegrond hebben, al was het alleen maar omdat er geen bochten in de rails van bouwkranen konden zitten. De functionalistische visie werd aangegrepen om deze ontwerpen van een theoretische onderbouwing te voorzien.

In Ede werd een plan voor de wijk Veldhuizen op deze manier strak opgezet en voorzien van hoogbouwflats. Er werden tevens plannen gemaakt voor ‘torenflats’ in Ede-Zuid. Niet iedereen was enthousiast over de plannen. Vooral niet toen de eerste ervaringen uit de rest van het land bekend werden. De flats voldeden weliswaar aan de verwachte vermindering van de woningnood, maar er kwamen klachten van geluidsoverlast, vervuiling van trappenhuizen en vereenzaming van mensen. Flatbewoners kwamen nogal eens met psychische klachten bij hun huisarts: de flatneurose deed zijn intrede.

Er waren bezwaren in de gemeenteraad onder andere tegen ‘de meedogenloze liniaal en het goochelen met blokjes’ en ‘het dogma van het grote getal en het dogma van het splitsen van functies’, waardoor er ‘in de nieuwe wijken geen ruimte meer is voor kantoren, winkeltjes, ateliertjes, boetiekjes of kroegjes’. Ondanks deze bezwaren besloot de Edese gemeenteraad mee te werken aan de bouw van de torenflats en de ontwikkeling van Veldhuizen verliep voorspoedig.

De uitwerking van de saneringsplannen voor de woonkernen van Ede, Bennekom en Lunteren verliep minder voorspoedig. Van rijkswege bleek er te weinig geld te zijn om alle plannen uit te voeren. Een aantal doorbraken, zoals die waarvoor de Kolkakkerbuurt en de Bloemenbuurt zouden moeten verdwijnen, werd uit de plannen geschrapt. In Bennekom zou de dorpskern ontzien worden. Een aantal karakteristieke panden werd behouden, waaronder het oude postkantoor.

Buitenlandse werknemers

In de jaren zestig ging het economisch zo goed met Nederland dat er te weinig arbeidskrachten waren. Bedrijven gingen hun werknemers elders zoeken. Ook in Ede kwamen buitenlandse werknemers wonen, Aanvankelijk voornamelijk Spanjaarden en Italianen, later werden werknemers aangetrokken uit Marokko en Turkije. Ze werden onder meer gehuisvest in pensions zoals het pension Nuestra Casa van de AKU, gelegen aan de Bennekomseweg.

In 1969 woonden hier 180 van de 458 buitenlandse werknemers die Ede op dat moment telde. De gemeente stelde dat een deel van de pensionbewoners zo snel mogelijk aan woonruimte geholpen moest worden, want de pensions beginnen wel heel erg te lijken op mensenpakhuizen. Een deel van de buitenlandse werknemers kreeg een woning in de torenflats die in de periode 1970-1973 opgeleverd werden.