Bouwen en wonen in Ede tot 1940

In het ‘kerspel’ Ede, inclusief Lunteren, maar zonder Bennekom en Otterlo stonden in 1566 232 huizen. Deze waren verspreid over 11 buurten met gemiddeld dus zo’n 20 huizen per buurt.

In 1812 woonden er in Ede 1726 mensen, in Bennekom 800, In Lunteren 1302 en in Otterlo 620. In totaal nog geen 4500 mensen. In 1880 woonden er inmiddels zo’n 11.500 mensen in de gemeente Ede. Rond 1940 waren er circa 9000 huizen in de gemeente Ede. Aan het eind van de oorlog was de helft hiervan verwoest.

Villa’s voor renteniers

De verbetering van de wegen en met name de spoorverbindingen zorgden ervoor, dat Ede langzamerhand een toeristische gemeente werd. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren er in Ede enkele hotels en pensions. Het waren overigens alleen de rijkeren die zich konden veroorloven om met vakantie te gaan. Gingen ze vroeger naar hun landhuizen aan de Vecht, nu konden ze dankzij de spoorwegen verder van huis. Met de industriële revolutie en de vervuiling in de steden groeide de waardering voor de vele ongerepte natuur in de gemeente Ede.

Er kwam een nieuwe groep bewoners: ‘de renteniers’. Vaak afkomstig uit West-Nederland lieten zij villa’s bouwen in Ede, in eerste instantie vooral langs de stationsweg, die het huidige station Ede-Wageningen verbond met het dorp Ede. Voordien lagen er nauwelijks huizen aan de stationsweg. Om de woningbouw te stimuleren en de weg een beter aanzien te geven te stimuleren werd er zelfs grond beschikbaar gesteld door de buurt Ede-Veldhuizen. De villa’s kregen fraaie namen zoals Villa Anna, Margot, Helena-Petronella, Aleida, Erica, Terra Nuova, Zorgvliet enz. Een aantal van deze villa’s bestaat nog steeds.

Eerste woningwetwoningen

De eerste keer dat de gemeenteraad zich boog over een aanvraag van een woningbouwvereniging was in 1918 bij de plannen van Patrimonium om 26 woningen te bouwen tussen de Verlengde Maanderweg, de Klaas Katerlaan, de Hovystraat en de Prinsesselaan. De bouw van dit eerste complex op basis van de woningwet kostte nog heel wat hoofdbrekens. De stijgende bouwkosten dwongen de vereniging ertoe nog tijdens de bouw bezuinigingen door te voeren. De huizen vertoonden dan ook vanaf het begin allerlei gebreken. In 1929 moesten de woningen al gerenoveerd worden vanwege doorbuigende daken en grote kieren op de zolderverdiepingen. Een tweede complex van 100 woningen werd rond 1920 door Patrimonium gebouwd langs de Kolkakkerweg.

Tuindorp

Met de komst van de kazernes had het Rijk in 1906 al woningen voor militairen laten bouwen. Veel militairen bleven echter op en neer naar Ede reizen of in de kazerne wonen terwijl hun gezin elders gehuisvest waren. Dit was een reden voor een aantal onderofficieren om de Woningbouwverenging Ede op te richten. De woningen die gebouwd werden waren overigens niet alleen voor militairen. De nieuwe vereniging werkte aan het verminderen van de woningnood in het algemeen. Als architect werd de Arnhemmer G. Feenstra gekozen. Deze genoot bekendheid vanwege de bouw van tuindorpen.

In de negentiende eeuw woonden veel mensen dicht op elkaar, vaak in woningen met meer lagen en vlakbij industriële complexen. Het idee van de tuinstad was een stad met laagbouwhuizen met grote tuinen, veel openbaar groen en brede wegen met in het centrum allerlei voorzieningen. De fabrieken waren aan de rand van deze tuinsteden geprojecteerd, zodat de bewoners er weinig last van hadden, maar er ook weer niet te ver vanaf woonden. De tuinstad was de ideale combinatie van het goede van de stad en het platteland, met als beoogd gevolg een gelukkige en gezonde bevolking.

Echte tuinsteden zijn nooit gerealiseerd, wel kwamen er in diverse steden tuindorpen tot stand, wijken met laagbouwwoningen, veel groen en pleintjes. In Ede sloeg het idee van tuindorpen goed aan, vanwege het landelijke idee, dat paste bij de agrarische sfeer van de gemeente. Bovendien zouden de tuinen gebruikt kunnen worden als moestuin, waaraan volgens diverse gemeenteraadsleden grote behoefte bestond.

De eerste 26 woningen van de Woningbouwvereniging Ede waren gepland aan de Kolkakkerweg, waar ook Patrimonium wilde bouwen. De architecten Feenstra en van Zoelen ontwierpen gezamenlijk een groots opgezet tuindorp met diverse centrumvoorzieningen zoals een badhuis en een gemeenschapshuis. Daarbij was Feenstra in de ogen van Patrimonium blijkbaar wat te modernistisch. In 1921 werd in het bestuur van Patrimonium met enige verbijstering gesproken over “de overkant” waar men “zulke vreemde kleurencombinaties” gebruikte.

De Enka

Behalve Patrimonium was er nog een bouwvereniging actief: Woningbouwvereniging ‘Vooruit’. De oprichting van ‘Vooruit’ hield direct verband met de komst van de Enka-fabriek naar Ede

In 1918 had de Enka besloten een grotere fabriek te bouwen en wel in Ede omdat er schoon water was en goede spoorverbindingen. De Enka kondigde aan zich bij het station in Ede te willen vestigen. Werknemers zouden per trein en bus naar de Fabriek komen, maar men wilde ook graag een deel van de werknemers dichtbij de fabriek huisvesten. Daarom werd de woningbouwvereniging Vooruit opgericht, formeel onafhankelijk, maar in de praktijk met sterke Enka-banden. De komst van de fabriek werd min of meer gekoppeld aan het verkrijgen van een gemeentelijke lening voor het bouwen van 300 huizen. In de discussie van de gemeenteraad stelde de Lunterse notaris Dinger het als volgt: “Onze gemeente staat nu als het ware op een tweesprong. Wij staan voor de beslissing of Ede eene fabrieksplaats zal worden ja of neen”. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad in te stemmen met de bouw van de woningen op voorwaarde dat ze als tuindorp gebouwd zouden worden en niet zoals bijvoorbeeld de arbeiderswoningen in Veenendaal.

Terwijl de raadsvergaderingen plaatsvonden was woningbouwvereniging Vooruit al lang en breed aan het bouwen aan de eerste 160 van de 300 woningen. Hierover was zo nu en dan wat gemor in de raad te horen. Raadsleden moesten bovendien weinig hebben van de stedelijk aandoende bouwblokken en wilden liefst vrijstaande woninkjes zien. Vooruit was echter al aan het bouwen volgens het plan van de architecten Van de Burgh en Eschauzier, die nu juist streefden naar een zekere beslotenheid. Stopzetten van de bouw was onmogelijk. De raad van Ede kon weinig anders doen dan met lede ogen aanzien hoe het eerste ‘stadse’ complex van Vooruit vorm kreeg.

Zeventig jaar later schreef de Monumentencommissie van dezelfde gemeente Ede over het complex:

“.. Oud Ede-Zuid mogen we beschouwen als een uniek stukje Ede. Stedenbouwkundige en architectonische aspecten zijn met elkaar verweven, waarbij niet zozeer de gebouwen op zich de waarde bepalen, als wel de samenhang tussen gebouwen en plattegrond”

De tweede en derde fase van de bouw van de driehonderd woningen van Vooruit leverde een flink conflict tussen de gemeenteraad, Vooruit en Enka. Dit werd pas in 1931 afdoende afgerond. “De bouw” bleek het tastbare punt waarop gemeenteraad en Enka elkaar tegenkwamen. De inwoners van de gemeente waren niet gewend aan stinkende fabrieken en irritaties over de stank van de Enka werden geventileerd tijdens debatten over Vooruit. Aan de ander kant ging de Enka soms al te voortvarend te werk in een gemeente die hoofdzakelijk agrarisch was en waar de buurschappen nog een zekere invloed hadden.

Bennekom

In Bennekom werd in 1919 op een vergadering van het Christelijk Werkliedenverbond “Werkend help ik” besloten tot de oprichting van de woningbouwvereniging ” Plicht Getrouw”. De statuten werden grotendeels overgenomen van de zustervereniging “Patrimonium” uit Ede. Ook bij het bepalen van het te bouwen type huizen werd naar Ede gekeken. Er werd gepleit voor de bouw van blokjes met meer dan twee huizen: omdat de tussenhuizen het netst bewoond werden: De hoekhuizen hadden teveel ramen om gordijnen voor te kopen. Een vrijstaand huis zou ook teveel aan ‘bestoking’ kosten. Bij het ontwerp van de woningen moest ook gelet worden op ‘het landelijke van ons dorp’. Uiteindelijk werden de eerste blokjes gebouwd aan de huidige schoolstraat en acacialaan.

Gelders Veenendaal

Veenendaal was ontstaan als een dorp van verveners. Rond 1550 vestigden zich de eerste bewoners in het veen; rond 1850 kwam er een eind aan de turfgraverij. De grenzen van de gewesten waren al tot stand gekomen toe er nog helemaal geen sprake was van veenafgravingen en de verveners hadden zich weinig van de grenzen aangetrokken. Het gevolg was dat het dorp Veenendaal verdeeld was over verschillende gemeenten en ook nog voor een deel in Utrecht en voor een deel in Gelderland lag. Gelders Veenendaal lag gevoelsmatig en praktisch ver weg van het hoofddorp Ede. Dit leidde ertoe dat het in 1960 bij Veenendaal en de Provincie Utrecht kwam.

In 1920 was Ede echter nog verantwoordelijk voor wat er in Gelders Veenendaal gebeurde. In 1921 kwam de woningbouwvereniging de Eenvoud van de grond en liet een plan maken voor twintig woningen. De gemeente verleende steun, maar veranderde het plan zodanig dat ‘de bewoners de gelegenheid hebben de voor hun gezin benodigde aardappelen en groenten zelf te kunnen kweken waarvoor een terrein van + 500 m2 voldoende werd geacht.

Bronnen:

De geschiedenis van Ede – Vereniging Oud Ede, 1933
Rond de grijze Toren, 1000 jaren geschiedenis uit de boeken van de buurt  Ede-Veldhuizen – L.C. Schreuders, 1958
Dorp op de Veluwe met de stadse fratsen, 100 jaar volkshuisvesting in Ede – Woningcorporatie Woonstede, 2000